Geschiedenis van de Open Hof - alle afleveringen

Pas op: onderstaande ware historie van de plaats waar nu de Open Hof staat bevat ongeveer even veel historische waarheid als veel verhalen uit de Bijbel.

De mysterieuze plek in Veldhuizen

Aflevering 1

Als je een kaart van Ede zou hebben van rond het jaar 1850, dan zou je kunnen zien hoe er van de Oude Kerk in het centrum een weg loopt naar het westen. De Molenstraat heet die nou, toen ook al, vanwege de molen die er staat. Het eerste stuk ervan was bestraat met stenen, tot ongeveer waar je nu de Slijpkruikweg en de Schaapsweg als zijstraten hebt. Dan ging die weg over in een zandweg, die de hoofdweg was door de velden van Veldhuizen. Er stonden daar inderdaad verspreid een paar huizen of liever boerderijen, maar het meeste was akkerland of weiland. Het zandpad liep verder rechtdoor naar het westen in de richting waar nu de rotonde is bij de Markiezenhof. Niet ver voor dat punt was aan de noordkant van het pad op een wat lagere moerasachtige plek, een bosje met een hoge lindenboom twee eiken en vooral veel bijna ondoordringbaar struikgewas. De boeren kwamen daar niet graag: er ging een gerucht dat het bosje behekst was, of in elk geval iets mysterieus had. De zandweg liep dan nog verder door tot een boerderij ongeveer ter hoogte van waar nu Rijnhof is en de Liebeek begint. Dan liep het pad om de boerderij heen en ging als heel smal paadje verder in de richting van de Klomp.

In die boerderij woonden twee broers, Graad en Maan, beide ongetrouwd. Bovendien waren beide nogal lui. Ze hadden een paard, vier koeien, een varken, een paar kippen, wat schapen en op hun land verbouwden ze aardappels, gerst en haver voor het paard en natuurlijk tarwe die ze in augustus oogstten en naar de molenaar in het dorp brachten. En ze hadden een groentetuin. Niet dat ze erg ijverig waren: vooral de oudste was uitgesproken lui; de jongste zorgde dat de beesten niet doodgingen en dat ze zelf minimaal te eten hadden.
Twee keer per week kwamen ze in het dorp: op zondag om te kerken en op dinsdagochtend om brood te halen en vooral om elk twee flessen jenever te kopen. Daar waren ze wel heel ijverig in.

Op een stikhete dinsdag begin juli was Graad, de oudste, alleen naar het dorp gegaan: zijn broer was in de weer met bonen plukken. Hij moest nu vier flessen jenever sjouwen en een paar broden. En dat in die broeierige hitte: er dreigde zelfs onweer. Terwijl hij terugliep naar huis en dat warrige bosje passeerde klaagde hij hardop: “Wat een ellende, al dat werken en die verre tocht naar het dorp. Was er maar iemand die dat voor ons kon doen.”
Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of er flikkerde een onweersbliksem over het bosje, de sluizen van de hemel braken open en er rolde een donder over het land. Hij hoorde gekraak van takken en uit het bosje kwam een in het zwart geklede figuur tevoorschijn. Hij had een zwarte hoed op met een grote rand en een lange jas aan die tot over zijn enkels reikte. En een merkwaardige geur hing er om hem heen. Met grote passen liep hij op Graad af en zei: “Dat kan. Ik kan zorgen dat al dat zwoegen door een ander voor jullie gedaan wordt.” En meteen daarop klonk weer een onweersklap.
“Hoe dan?” vroeg Graad, stomverbaasd.
“Simpel: je ondertekent dit contract en binnen drie weken ben je verlost van al je werk.” Tegelijkertijd haalde hij een stuk perkament uit zijn zak waar in fraaie letters een tekst stond.
“Maar,” zei Graad, “hoe moet ik dat ondertekenen: ik heb geen pen en inkt bij me.”
“Ik heb een pen,” zei de donkere man, “en inkt hebben we niet nodig: een sneetje in je vinger en onderteken met je bloed!”
“En kan ik er dan zeker van zijn dat aan mijn gezwoeg een einde komt?”
“Contract is contract: daar staat in dat je over drie weken altijd kunt blijven luieren.”

Een dag of drie later ging Maan, de jongste broer, voor de zekerheid nog eens kijken bij het mysterieuze bosje. Hoofdschuddend had hij het verhaal van Graad aangehoord. Hij had geprobeerd het ondertekende contract op dat stuk perkament te lezen. Maar de letters waren te kronkelig: het lukte hem niet goed, zeker ook omdat hij nauwelijks kon lezen. Het vooruitzicht dat ze over een paar weken niets meer hoefden te doen was wel aanlokkelijk. Maar hoe dat zou gebeuren, daar kon hij met zijn hoofd niet bij.
Hij liep om het bosje heen, zag niets, allen maar kreupelhout en al de rommel die zij en sommige andere boeren met wat meer durf in het bosje gestort hadden. Wat wel wonderlijk was dat vanaf het bosje naar de zandweg een paar sporen te zien waren van de poten van een geit, of was het een bok? Hier kwamen toch nooit beesten!
Verder zag alles er gewoon uit. Dus ging hij maar naar huis terug, voerde de kippen en het varken en molk de koeien.

Aflevering 2

Een week of twee later  - het was slecht weer: wind en regen -  werd er tegen de middag geklopt aan hun deur. Graad deed open. Er stonden twee volledig doorweekte en uitgeput uitziende mensen. Een vrouw met rode haren en een man met een donkere huidskleur. Beide rond de 20 jaar. Behalve een haveloos uitziende rugzak die de man droeg, hadden ze niets bij zich.
“Mogen we hier even schuilen en opdrogen,” was hun vraag.
Graad aarzelde: vreemde mensen binnenlaten en zeker zo’n merkwaardig tweetal? Maar een forse windvlaag duwde de twee al zowat door de deur naar binnen. Druipend stonden ze op de tegels van de keuken, waar een warm en aanlokkelijk vuur in de haard brandde.
‘Kom d’r dan maar in,” riep Maan vanuit zijn stoel naast het vuur. “Ik schenk een borreltje voor jullie in om bij te komen.”

Het waren duidelijk twee vreemde mensen. En zeker niet van deze streek. Ze moesten lang rondgezworven hebben. Hun taal was wel verstaanbaar. Het was kennelijk een soort Nederlands, maar nogal zangerig en had heel vreemde accenten.
Toen ze wat gegeten hadden, hun kleren opgedroogd waren vroeg Graad waar ze vandaan kwamen. De vrouw  - Elvi, zo had ze zich voorgesteld -  vertelde dat ze ver gelopen hadden, al zeker een maand, vanuit het zuiden. Want daar konden zij niet blijven. En Louwie, haar man, had de dag daarvoor zijn voet verstuikt en kon nu alleen nog maar strompelen. “Kunnen we misschien een tijdje blijven op de boerderij? We willen wel slapen in de stal, bij het paard en de koeien. En we kunnen wel helpen met het werk op de boerderij.”

Maan, de jongste broer, keek nors en donker toen hij die vraag hoorde. Twee vreemdelingen op de boerderij opnemen? Wat hebben die op hun kerfstok? En ze zijn uit het zuiden: dan zijn ze waarschijnlijk nog wel rooms ook.
Maar Graad had alleen de woorden “en we kunnen wel helpen met het werk op de boerderij” gehoord. Meteen begonnen zijn ogen te flonkeren en zei hij zonder veel nadenken: “Goed, als jullie flink werken kun je wel een tijdje blijven.”

Werken konden ze, als de besten. Louwie had al snel in de gaten dat het graan bijna rijp was. Hij had een zeis gevonden in de schuur en deze al snel gescherpt om als het weer goed was te gaan maaien. Elvi molk tweemaal dagelijks de koeien. Ze had Maan zelfs naar het dorp gestuurd om spullen te gaan halen om kaas te maken. Brood halen hoefden de broers niet meer: Elvi bakte dat om de twee dagen zelf. En elke avond zorgde ze voor een smakelijke warme maaltijd. Wel zetten de twee broers grote ogen op bij wat ze op tafel zette: dat was toch wel heel andere kost dan ze zelf vroeger maakten.

Inmiddels had Louwie rondom de boerderij alle kapotte hekken gerepareerd, de greppels schoongemaakt, het nogal verwaarloosde paardentuig weer in orde gemaakt, en de varkensstal eens flink uitgemest.
En Graad en Maan zaten de hele dag in de schaduw onder de grote notenboom of kuierden rond in Veldhuizen. Het werk werd toch wel gedaan. De reserve en achterdocht waarmee ze Elvi en Louwie indertijd hadden ontvangen, was weggeëbt. Zelfs zaten ze geregeld tijdens de lange en warme zomeravonden op de bank voor de boerderij met z’n vieren te kletsen.
Louwie had een deel van de stal verbouwd en daar een geschikte slaapruimte, een mooie zithoek en een haard gemaakt voor Elvi en hemzelf. Graad en Maan konden zo ’s avonds tot zo laat als ze wilden in hun eigen keuken de flessen jenever proberen leeg te krijgen. Inmiddels hadden ze aan vier stuks per week niet genoeg: Graad haalde elke vrijdag nog eens twee of drie kruiken. Dat was meteen ook het grootste karwei dat hij wekelijks uitvoerde. Maan wilde Elvi zo nu en dan nog wel eens helpen met melken of met het inmaken van groenten voor de winter. En soms liep hij naar het dorp om daar te kopen waarin ze op de boerderij zelf niet in konden voorzien. Zowel Louwie als Elvi kwamen zelf liever niet in het dorp.

Zo verliep de zomer, de herfst en kwam de winter. Er veranderde niets op de boerderij. Graad en Maan luierden. Elvi en Louwie runden het bedrijf en hadden daar plezier in. Al in het voorjaar, toen Louwie de akkers geploegd en vers ingezaaid had, nadat hij de groentetuin netjes op orde gebracht had, kon je zien dat de oogst van de komende zomer veel rijker zou worden dan de twee broers ooit voor elkaar gekregen hadden.
En het mooiste: op een zeker moment had Maan in de gaten dat Elvi’s buik steeds dikker werd: er zou een kind geboren worden op de boerderij.

Aflevering 3

In de eerste week van september, toen er na alle drukte van de oogsten een beetje rust op de boerderij weergekeerd was, kondigde Louwie bij de twee broers aan dat hij een week of zo weg zou zijn. Of zij goed op zijn zwangere vrouw wilde passen? De geboorte van Elvi’s kind zou pas ergens begin november zijn, daarover hoefden zij zich dus geen zorgen te maken. En hij verklapte hun dat hij een geschenk wilde kopen voor de baby, dat niet in het dorp te krijgen was. Daarvoor moest hij een paar dagen op pad.

Na een dag of vijf was Louwie terug. Dat was ook nodig: de aardappels moesten geoogst worden en er hingen flink wat appels en peren aan de bomen. Of hij het geschenk inderdaad ergens gevonden had? De broers wisten het niet en Elvi al helemaal niet.

De twee nieuwkomers op de boerderij waren er nu al een dik jaar. En ook al spraken de broers als ze in het dorp kwamen nooit over hen, ook al kwamen Elvi en louwie nooit in het dorp: toch was in Ede doorgedrongen dat zij er waren. Ja, alleen Louwie was een keer in het dorp geweest: hij had met paard en wagen de tarwe die hij geoogst had, naar de molenaar gebracht. De opbrengst van het meel, dat daarvan was gemalen en verkocht was aan de dorpsbakker, had Graad afgehaald.
Er was geroddel in het dorp: “Wie zijn dan die twee vreemdelingen?” “En waarom komen zij ’s zondags nooit in de kerk?” “Dat die zonderlinge broers zich met die landlopers ingelaten hebben …!”
De dominee en de ouderlingen vonden dat er een onderzoek gedaan moest worden. De twee steilste ouderlingen werden er op afgestuurd. Ze liepen de Molenstraat af en volgden de zandweg. Ter hoogte van het warrige bosje met die grote lindenboom voelde een van hen hoge nood: hij moest een plasje doen. Daarvoor drong hij een eindje het struikgewas in en deed tegen de stam van de lindenboom wat een man doet om zijn blaas te legen. Maar nauwelijks raakte de eerste druppel de bast van de boom, of er steeg vanachter de boom een verstikkende zwavelachtige geur op. En het was alsof er een gegrinnik, zelfs een hoongelach te horen was. Hoorde de ouderling dan écht wat hij dacht te horen, de woorden: “Laat maar, die Graad is van mij: jij krijgt hem niet meer.”?

Bijna vergat de ouderling van schrik zijn broek dicht te knopen. Zijn metgezel zag hem met een bleek gezicht terugkomen uit het struikgewas, terwijl hij uitstamelde: “Dat bosje is behekst”.
Zwijgend liepen de twee mannen verder.

Maan zat buiten voor de boerderij op de bank. Hij zag de twee ouderlingen aankomen en met een joviaal gebaar nodigde hij hen uit om bij hem plaats te nemen. “Graad komt er ook zo aan,” zei hij. “En vertel wat de reden is van jullie bezoek, want nog nooit eerder kwam hier een ouderling voorbij.”
“Die twee mensen, die vrouw en die man, die hier bij jullie schijnen te wonen. We zien die nooit in de kerk. Wat zijn dat voor heidenen?”
Inmiddels was Graad naar buiten gekomen. Hij had vanuit het huis de twee rijzige zwarte mannen al gezien en vermoedde dat er een lastig gesprek zou kunnen komen. Daarom had hij een kruik jenever gepakt en vier borrelglaasjes. Zonder iets te vragen had hij die op tafel neergezet en volgeschonken.
“Wij komen hier voor andere geestelijke zaken dan deze geestrijke.”
Graad keek hen onverstoord aan: “Ook goed, maar dan is het gesprek al afgelopen en mogen jullie weer gaan. Maar als je een borreltje wilt meedrinken: dan ben je welkom. Dit is onze boerderij en hier gelden onze regels. En wie hier verder op de boerderij zijn, is ons probleem.”
Niet elke dag krijgt een ouderling een glaasje jenever aangeboden. En zo ver van het dorp was er toch niemand die kon zien dat ze wel aan het geestrijke zouden doen en niet aan het geestelijke. Dus het eerste glaasje ging er met gemak in.
Maan vertelde wel iets over Evi en Louwie: dat het zulke vakkundige boeren waren en de opbrengst van de oogsten bijna verdubbeld was.
En onderwijl schonk hij de glaasjes bij, die telkens in hoog tempo gelegd werden.
Een uurtje later stapten de twee zwarte gestaltes op en wankelend als overmaatse pinguïns probeerden ze de zandweg richting dorp weer te vinden. Toen ze ter hoogte van het bosje gekomen waren durfde de ene, die van het plasje, daar eigenlijk niet meer voorbij te lopen. Om moed te vatten zette hij met onvaste maar luide stem de eerste zin van psalm 121 in: ‘ ‘k Sla d’ oogen naar ’t gebergte heen, mijn hulp is van den Heer alleen’. Enthousiast maar weinig toonvast zingend, de ene psalm na de andere, soms struikelend over hun voeten en over de heilige bijbelse woorden, kwamen ze het dorp binnen waar ze neervielen op een bankje tegenover de kerk.

Een kleine twee maanden later beviel Elvi: ze kreeg een dochter, Julia noemden ze haar. En diezelfde dag werd duidelijk wat Louwie uitgevoerd had toen hij een paar weken tevoren vijf dagen weggeweest was: hij kwam na de bevalling met twee mooie doosjes aan, een voor Julia en een voor Elvi. In beide zat een zilveren kettinkje met een hangertje: een kruisje. En de trotse vader hing ze bij de kersverse moeder en de baby om de hals.
Graad en Maan stonden vertederd erbij te kijken. Dat in hun boerderij, een huis van twee ongetrouwde mannen, toch nog een kind geboren was …
Toen ze twee dagen later in het dorp kwamen om een nieuwe voorraad jenever te kopen vertelden ze het vol trots aan ieder die ze tegen kwamen, alsof ze zelf vader geworden waren.

Aflevering 4

Niet lang daarna kwamen de twee ouderlingen weer de boerderij binnen. “Of er niet een afspraak gemaakt moest worden om het kind te dopen?” Elvi’s antwoord was kort: “Dat doen we zelf wel. In een gemeenschap van zulke steile zwarte mannen willen we onze dochter niet laten dopen.”

Beledigd dropen de twee mannen af. En teleurgesteld: er was niet eens een borreltje ingeschonken. Ter hoogte van het bosje bleven ze even staan, mijmerend met elkaar hoe ze dan van plan waren dat kind te dopen. Toen er een plotselinge windvlaag vanuit het bosje een sterke stank van zwavel naar het toewaaide renden ze verschrikt weg.

Dik twee jaar later was Elvi weer zwanger. Er werd een tweeling geboren in de boerderij, twee jongens die de namen kregen Nijco en Derck.
Het leven leek goed voor de twee broers en het gezin van Louwie en Elvi. De opbrengst van de boerderij was goed. Graad en Maan waren uiterst tevreden dat ze maar heel weinig hoefden te werken. Tot Graad ziek werd. Rillend lag hij in bed en Maan riep Elvi om raad. Zij vermoedde dat Graad een forse griep opgelopen had. Ze dwong hem het bed te houden, zorgde voor veel drinken voor hem: water natuurlijk en geen jenever. En voor en een stapel zakdoeken. Toen ze die uit de kast naast zijn bed haalde, vond ze in de la het stuk perkament. “Wat is dit dan?” vroeg ze. Graad schrok en zei hakkelend: “Eh … ik weet het eigenlijk niet goed. Die woorden die er op staan begrijp ik niet: ik kan de letters niet goed lezen.”
“Maar dat kan ik wel,” zei Elvi en ze begon het contract dat Graad een jaar of vijf eerder ondertekend had met zijn eigen bloed, voor te lezen. En ze schrok. “Graad, je hebt je ziel verkocht, staat hier. Aan de duivel. En in ruil daarvoor heeft die ervoor gezorgd dat je niet meer hoeft te werken. Nu ik goed lees, begrijp ik dat Louwie en ik hier aangekomen zijn vlak nadat jij ondertekend hebt. En wij doen sindsdien het werk.”
Graad zuchtte alleen maar.
“En hier staat,” zo ging Elvi verder, “dat de duivel jouw ziel na zeven jaar komt halen: dat is ongeveer over anderhalf jaar!
Waar is dat gebeurd, dat je dat contract ondertekend hebt?”
Graad vertelde haar van die zwoele, veel te hete onweersdag en de merkwaardige man die uit het mysterieuze bosje was gekomen.
“Kon ik dat contract maar ongedaan maken,” zuchtte hij met een hopeloze blik in zijn ogen.

Een jaar later vroeg Elvi aan Graad of hij even met haar naar de groentetuin kwam kijken. Ze waren daar buiten het zicht van Maan en Louwie en de kinderen.
“Graad, bijna is het zover dat die zeven jaren om zijn. Hier, neem dit van mij.” Ze haalde haar kettinkje met het kruisje van haar hals. “Hang dat om jouw hals. En als die duivel komt om jou mee te nemen, laat hem dan het kruisje zien en zeg ‘Geloofd zij Jezus Christus’. Dan komt alles goed.”
“Maar zoiets zeggen wij nooit in onze kerk.”
Maakt niet uit, Graad, doe maar wat ik zeg.”

Niet lang daarna was Graad alleen naar het dorp gegaan voor een paar nieuwe flessen jenever. Op de terugweg sloeg het weer plotseling om: veel wind en vlagen regen. Toen hij ter hoogte van het bosje was, flitste een bliksemschicht door de lucht en rolde de donder. En daar bovenuit klonk vanuit het bosje een luide scherpe en triomfantelijke lach. “Vandaag is de dag. Zeven jaar heb ik daarop gewacht. Hier jij, van mij ben jij.” En met grijpgrage handen stormde diezelfde zwarte man van toen op Graad af. Hij verstijfde en wanhopig riep hij: “Ik weet niet waar je het over hebt.” “Dat weet je best,” zei de duivel, “Hierrrr jij. Contract is contract.”
Graad herinnerde zich het kettinkje: hij pakte het kruisje en zei stotterend: “Ge-ge-loofd zij-ij Je-ezus Christus.”
De woorden waren nog niet uitgesproken op een forse bliksemstraal spleet de grote lindenboom in tweeën. Een helft stortte voorover en viel boven op de duivel en miste Graad op een haar na. De donder rolde luid weerkaatsend door de lucht.

Maan zag zijn broer kletsnat, trillend, met angstige ogen en zonder dat hij een woord kon zeggen, de boerderij binnenkomen. In paniek riep hij Elvi en Louwie. Elvi zag dat Graad iets in de knuist van zijn rechterhand geklemd had. Ze boog de vingers open en vond daar haar kettinkje en het kruisje dat half verbogen was. Zij snapte wat er gebeurd was.

Loewie ruimde met hulp van twee boeren uit de buurt de omgevallen lindenboom op. Ze waren verbaasd toen ze onder de boom een groot gat vonden van een forse brandhaard. Merkwaardig dat daardoor het hele bosje niet in brand geraakt was!

Het leven ging verder. Nijco en Derck groeiden op en werden actieve kwajongens. Ze speelden graag in het bosje, terwijl de andere boerenjongens uit de buurt daar nauwelijks durfden te komen. Er ging toch het verhaal dat het bosje behekst was! En die lindeboom die door de bliksem in tweeën gespleten was … er klopte iets niet met het bosje.
Merkwaardig was trouwens dat Nijco en Derck het bosje in tweeën gedeeld hadden: elk had zijn eigen stuk. Zelden stak een van hen de grenslijn over, hoogstens in de zomervakantie, dan speelden ze wel eens samen.

Aflevering 5

Inmiddels was het gezin helemaal opgenomen in Ede. De kinderen waren er naar school gegaan. Julia, nu bijna volwassen, was de bloem van het dorp. Daar had men zelfs geaccepteerd dat het vijftal nooit in de Oude Kerk verscheen. Er werd trouwens wel gefluisterd dat Elvi soms in dat geheimzinnige bosje, op die halve omgevallen lindenboom voor zich uit zat te staren, alsof ze zat te bidden. En ook Graad hadden ze daar wel eens zien zitten.

Op een dag werden twee onbekende jongemannen in het dorp gesignaleerd. Ze zaten op het terras voor de dorpskroeg. De ene, die zich voorstelde als Gieso, vertelde dat hij uit het noorden kwam, uit het dorp Dorpsgracht. Onderweg was hij het dorp Langeweg gepasseerd en daar had hij Jaco ontmoet. Samen waren ze verder getrokken, op zoek of ze ergens werk konden vinden.
Julia kwam toevallig voorbij: zij had boodschappen gedaan in het dorp. En toen ze de vreemdelingen zag werd ze nieuwsgierig en ging naast hen aan het tafeltje zitten. De twee mannen vertelden dat ze nog een onderkomen voor de nacht zochten. “Dat kan makkelijk bij ons op de boerderij,” bood Julia aan.
En een uurtje later zaten Elvi, Loewie, de twee broers Graad en Maan en hun drie kinderen met de twee gasten voor de boerderij. Maan schonk de glaasjes jenever in.

Het beviel de twee vreemdelingen wel in de boerderij. En ze waren niet te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. Graad en Maan zagen tot hun tevredenheid dat hierdoor het bedrijf nog een stuk groter werd. De twee nieuwgekomen jongemannen ontgonnen stukken land waarvan de andere boeren in Veldhuizen dachten dat er niets op groeide. En zelfs begonnen ze het rommelige bosje wat te ordenen. Misschien konden ze daar ook wel iets vruchtbaars van maken.

Maan en Graad hebben nog net meegemaakt dat Julia en Gieso trouwden. Maar voordat ze merkte dat ze zwanger werd, zijn de twee broers, die inmiddels ook flink bejaard waren, gestorven.
Julia kreeg een dochter, die ze Linde noemden, denkend aan die gebliksemde lindenboom waar toch weer een flinke jonge boom uit gegroeid was.
Bovendien groeiden er in dat nu half ontgonnen bosje allerlei bijzondere bloemen en half wilde aardbeien. De kleuter Linde, die met haar vader Gieso, of nog vaker met Jaco, op wie ze stapeldol was, vaak bij het bosje te vinden was, snoepte van die aardbeien en plukte geregeld bloemen voor haar moeder. Toen het meisje wat groter werd begon ze op een ontgonnen gedeelte van het bosje te experimenteren met allerlei planten. Van een van de andere boeren kreeg ze gewone aardbeienplanten en ze probeerde die te vermengen met de wilde aardbeien uit het bosje. Op school had de juf immers verteld dat je planten kunt veredelen. Jammer genoeg wist ze niet hoe: ze probeerde dus maar iets, maar zonder succes.

Elk jaar vierden Julia en Gieso natuurlijk het feest van de heideweek mee in Ede. Jaco ging ook altijd mee en natuurlijk ook Linde toen ze groter werd. Aan die traditie bleef zij trouw, zeker toen ze zo’n jaar of twintig was.
Er kwamen ook altijd jongeren uit Wageningen op dat feest af: studenten van de Landbouwuniversiteit. Er was er één, die op kamers woonde in Bennekom. En je snapt het al: toen Linde hem zag vond zij hem veel bijzonderder dan alle andere studenten. De jongeman  - Theo heette hij -  kon zijn ogen niet afhouden van haar.
Toen Linde hem introduceerde in de boerderij en hem haar kweektuintje bij het bosje liet zien, werd hij helemaal enthousiast: hij studeerde plantenveredeling.

Het werd iets échts tussen Theo en Linde. Door Theo’s kennis en Linde’s  fanatisme lukte het zelfs om een nieuwe aardbeienplant te kweken. En bovendien werd Linde werd zwanger. Die kruising van de aardbeienplanten leverde een bijzondere mooie donkerrode nieuwe aardbei op. De eerste vruchten waren rijp ongeveer op het moment dat Linde beviel. Ze kreeg een dochter die ze Senga noemden. En de nieuw gekweekte aardbei kreeg haar naam. Tot op de dag van vandaag is de senga een populaire aardbeienplant, met mooie dieprode vruchten.

Maar helaas: het bosje was ten dode opgeschreven, net zoals alle boerenbedrijven in Veldhuizen. Het dorp Ede groeide en groeide maar. De Molenstraat werd doorgetrokken tot net voorbij het bosje en geasfalteerd. Het nieuwe stuk kreek de naam Slotlaan. De boeren in Veldhuizen werden uitgekocht en hun boerderijen afgebroken. Overal kwamen huizen en zelfs een paar hoge flats. En voor al die mensen die daar woonden was ook een kerkgebouw nodig. Toen ambtenaren van de gemeenten zochten naar een plaats daarvoor, dachten ze ineens aan dat onbestemde bosje, niet wetend welke merkwaardige zaken zich daar in het verleden afgespeeld hadden. Maar misschien is het ook helemaal geen toeval dat deze magische plek, waar de duivel het verloor van Jezus Christus, aangewezen werd als plaats om een kerk te bouwen.
Toen daar de Open Hof gebouwd werd, was de boerderij, waar nu Linde en Theo, met dochter Senga woonden en ook nog oma en opa Julia en Gieso en de oude Jaco er nog steeds. Hij werd pas afgebroken toen de huizen bij de Rijnhof en de Liebeek gebouwd werden.

John Biermans
 
terug

Predikant

Ds. Agnès Gilles
06-41866969
ds.gilles@openhof-ede.nl
bij geen gehoor kun je contact opnemen met de scriba

Scriba

Mevr. Betty Pluimers
0318-591029 of 06-15686248
scriba@openhof-ede.nl

Kerkgebouw De Open Hof

Hoflaan 2, 6715 AJ  Ede
0318-639426 

Beheerder

dhr. Hans Kaldeway
Open Hof: 0318-639426
Privé: 0318-622292
hansbeheerderopenhofede@hetnet.nl

Wijkkas De Open Hof

Protestantse Gemeente Ede
t.n.v. Wijkkas De Openhof
NL62 RABO 0162 3002 12

Redactie website

E-mail reactie@openhof-ede.nl om te reageren op de website, of om een artikel te laten plaatsen.