Tim die naar de hemel wilde varen

Tim die naar de hemel wilde varen
In deze rubriek schrijven verschillende Open Hoffers prikkelend of merkwaardig waardoor je net als in een labyrinth ‘naar binnen gezogen’ wordt, je soms verdwaalt, maar als goede verstaander er ook weer heelhuids uitkomt.

Tim die naar de hemel wilde varen

Dit verhaal begint op de dag dat de jonge Tim heel vroeg opstond. Hij pakte zijn koffer in (teddybeer, tandpasta, schone kleren, een boek en wat snoep) en ging op weg. De dag ervoor had de juf op school namelijk het verhaal van Hemelvaart verteld, en ze had uitgelegd dat de hemel fantastisch mooi was. Iedereen was er blij en vrolijk, er was geen ruzie en geen verdriet. En Tim verlangde wel naar een mooie plek zonder ruzie. Thuis maakten zijn ouders namelijk altijd ruzie.

Slim als hij was, ging hij natuurlijk eerst naar de haven. De juf had het tenslotte over varen gehad. Onderweg naar de haven kwam hij Liselot tegen, een meisje uit zijn klas. Stiekem was Tim een beetje verliefd op haar, maar vandaag dacht hij maar aan één ding: de hemel bereiken. Dus toen ze hem vroeg waar hij naartoe ging en of ze mee mocht (want Liselot vond Tim ook wel een aardige jongen) trok hij zijn meest serieuze gezicht, het gezicht dat zijn vader altijd trok tijdens de ruzies, en zei op wijze toon dat hij iets heel belangrijks ging doen. 'Ik ga namelijk naar de hemel. Dat is een hele moeilijke reis, en daar kan ik geen afleiding bij gebruiken.' Met grote stappen liep hij het verbouwereerde meisje voorbij en stapte hij op een oude visser met een lange grijze baard en een wat stinkende adem af.

'Hallo beste meneer. Vaart u toevallig ook naar de hemel? Daar wil ik namelijk heel graag naartoe.' Verwachtingsvol keek hij de oude visser aan, maar die snoot alleen luidruchtig zijn neus en wees naar een smoezelig havencafeetje. 'Daar, m'n jongen, daar vind je De Hemel. En hemels bier, dat kun je er vinden.' 

Bozig keek Tim naar de oude visser. Zonder nog een woord te zeggen keerde hij zich om en vroeg hij het de volgende visser. En de volgende. Maar niemand gaf een sjoege, niemand kon hem helpen. Aan het eind van de pier zat een laatste visser, een man met gebogen rug en zandgele tanden. Geduldig luisterde hij. 'Ik kan je naar de hemel brengen, jochie. Maar dan moet je eerst iets voor mij doen. Drie dingen eigenlijk. Ik wil alles hebben wat in je koffer zit en je moet mij wassen.' Op dat moment had Tim moeten vragen wat de derde opdracht was. Ik kan, als verteller, alvast verklappen dat de derde opdracht enkel het stellen van een vraag was geweest. Maar Tim was al afgehaakt. Hij vond de oude Visserkoning maar een vieze man. Snel trok hij verder, niet ziend dat er opeens een hemelse wenteltrap naar beneden was gekomen waar engelen van afdaalden met geschenken voor de oude visser.

Tim had echter besloten dat hij het hogerop moest zoeken. Varen naar de hemel moest hij maar met het vliegtuig doen. Omdat hij haast had besloot hij dat zijn doel, de hemel bereiken, alle middelen heiligde. Hij stal wat geld van een bedelaar en besloot naar Tibet te vliegen. Daar, op de top van de Mount Everest, was hij toch het dichtst bij de hemel?

In het vliegtuig zat hij naast een jonge moeder met een kleine baby die onophoudelijk aan het huilen was. Tim vond dat maar vervelend. Uit verveling ging hij wat in zijn koffer rommelen. Daardoor viel zijn teddybeer echter uit zijn koffer. Gebiologeerd door de mooie knuffel stopte de baby met huilen. Hij begon echter al snel weer te huilen toen Tim de knuffel terug in zijn koffer stopte, een boze blik op zowel de moeder als de baby wierp en opstond om een andere plek te gaan zoeken. 

In Tibet aangekomen besloot hij, na een dikke jas te hebben gestolen uit het winkeltje van een oude vrouw, naar de Himalaya te lopen. Lang was hij onderweg, vastberaden om de hemel te bereiken. Stevig stapte hij door, bergen en dalen doorkruisend, onder luchten zwanger van regen en onweer en door gortdroge velden. Op beblaarde voeten bereikte hij uiteindelijk de top van de Mount Everest. Daar zou hij eindelijk de hemel bereiken. Verwachtingsvol keek hij omhoog. Dagen bleef Tim wachten, overtuigd van het verhaal dat hij voor zichzelf had bedacht. Op de zevende dag hoorde hij echter langzaam iemand naderen door de sneeuw. Het was de oude visser. Zijn baard was nog grijzer geworden, zijn rug nog krommer, zijn tanden nog geler. Maar hij lachte, een oprechte lach. 'Heb je de hemel al gevonden, jongen?'

En kijkende in de ogen van de oude man en zichzelf zijn reis voor de geest halend begreep Tim het eindelijk. Hij sloot zijn ogen, boog diep en zei sorry. Niet één keer, niet twee keer, maar tot zeventigmaal zeven keer. Toen hij zijn ogen opendeed was de oude man verdwenen. Hij liet op de heuvel zijn koffer achter, maar nam zijn teddybeer mee. De dikke jas die hij had gestolen gaf hij terug aan de dochter van de oude vrouw. Hij besloot niet het vliegtuig te pakken, maar het hele stuk terug naar huis te lopen. Onderweg kwam hij de huilende baby uit het vliegtuig tegen, de baby die inmiddels zelf vader was geworden, en hij gaf hem de teddybeer alsnog. De bedelaar van wie hij geld had gestolen was inmiddels overleden, maar Tim zorgde voor een goede begrafenis voor de man.

En toen, na een lange reis, kwam hij thuis. Daar wachtte, natuurlijk, Liselot op hem. Ze stelde geen vragen over zijn reis, want ze zag dat Tim had gevonden wat hij had gezocht. En ze vergaf hem dat hij zo koppig was geweest.  

Dit verhaal eindigt jaren later. Tim is inmiddels al een oude man in de winter van zijn leven geworden, en gezegend met kinderen en kleinkinderen. Met zijn jongste kleinzoon, Sam, kijkt hij op een mooie zomerdag naar de blauwe lucht. 'Opa, is daar dan de hemel?' Tim schudt zijn hoofd en lacht wat voor zich uit, denkend aan de ontmoeting met de oude man op de Himalaya. 'Nee, jongen. En ja, jongen. Dat is wat ik op mijn reis heb geleerd. Dat is wat ik heb geleerd daar, boven op de berg. Ik heb de hemel gezien, en er is mij een hemel gegeven die ik door mocht geven aan iedereen.' Niet tevreden met het cryptische antwoord maar niet nieuwsgierig genoeg om door te vragen rent de jonge Sam naar oma om te bedelen om een koekje. Tim vangt nog een zonnestraal en loopt dan rustig achter zijn kleinzoon aan, hopend dat Sam het toch een beetje begrepen heeft.

Jochem Wijma
terug