Vragen, wie heeft ze niet?

Vragen, wie heeft ze niet?
In deze rubriek schrijven verschillende Open Hoffers prikkelend of merkwaardig waardoor je net als in een labyrinth ‘naar binnen gezogen’ wordt, je soms verdwaalt, maar als goede verstaander er ook weer heelhuids uitkomt.

Veel mensen maken zich zorgen in deze tijd. Ze vragen zich af hoe hun toekomst of die van hun kinderen er uit zal gaan zien. Misschien ben jij daar zelf ook wel mee bezig. Ik moest denken aan het gedicht ‘Vragenderwijs’ dat ik al heel lang ken en dat me nog steeds boeit. Tot mijn verrassing is het ook in het Nieuwe Liedboek terecht gekomen (blz. 1361). Ik vind het bijzonder om enkele gedachten over dit gedicht met jou te delen.

Vragenderwijs

Ik vroeg het aan de vogels
    de vogels waren niet thuis
ik vroeg het aan de bomen
    hooghartige bomen
ik vroeg het aan het water
    waarom zeggen ze niets
    het water gaf geen antwoord.
als zelfs het water geen antwoord geeft
hoewel het zoveel tongen heeft
wat is er dan
   wat is er dan
er is alleen een visserman
die draagt het water
onder zijn voeten
die draagt een boom
op zijn rug
die draag op zijn hoofd een vogel.

                                                                                                                                         Guillaume van der Graft (Willem Barnard)

De ik-persoon in ‘Vragenderwijs’ worstelt met een vraag. Een vraag van levensbelang want tot driemaal toe beweegt hij hemel en aarde om een antwoord te krijgen. Hij zoekt het hoog:  bij de vogels. Maar de bewoners van de bovenwereld  geven niet thuis.

Dan klopt hij aan in zijn eigen leefwereld , waarvoor de bomen symbool staan. De bomen zijn ‘hooghartig’. Ze vertikken het te antwoorden, zijn ze niet geïnteresseerd of hebben ze geen antwoord. Heeft de dichter het hier  misschien over mensen die leven alsof er geen twijfels en vragen bestaan, die leven alsof de bomen tot in de hemel groeien.

Aan het water vraagt hij waarom de bomen te trots zijn om iets te zeggen. De bomen staan toch met hun wortels in het water. En is het water niet van levensbelang voor mensen, bomen en ook voor vogels. Maar ook het water blijft stom als een vis. Is er dan niemand waar de dichter heen kan met zijn levensvragen?

Dan komt er een omkering in het gedicht. De dichter laat zich hier kennen als christen die weet waar zijn hulp vandaan komt. Hij gaat naar de visserman, die het water onder zijn voeten draagt. Dat is een zinspeling op het Bijbelse verhaal waarin Jezus over het water loopt, maar let op: niet het water draag hém, maar híj draagt het water. Jezus beschermt ons voor het woelige, onbetrouwbare water, voor de chaos. En hij is ook degene die wacht op de oever aan de overkant. Zo kan ieder mens de overtocht wagen. ‘Wees niet bang’, zegt hij. Die visserman, die het water draagt, is ons voorgegaan. Hij moedigt zijn volgelingen aan tot meer geloof en vertrouwen. 

In dit gedicht is het de visserman die de oervloed, het water, bedwingt; die de vogel, Gods Geest, op zijn hoofd draagt en die op zijn rug de boom draagt, de wereld van de mensen. Er zit nog meer symboliek in dit gedicht, te veel om hier op te noemen. Iedere lezer kan dat zelf ook ontdekken. Ik wens je er veel plezier mee.

Adria Overbeeke

[Dezelfde symboliek vind je in het prachtige lied  voor de Veertigdagentijd  ‘Met de boom des levens’ (547) ook van Barnard.]
 
terug