Ons inspiratiehofje  Ons inspiratiehofje 

Het Labyrinth

Een nieuwe maandelijkse column op de website van onze Open Hof, om beurten geschreven door een zestal Open Hoffers. Een column die de merkwaardige naam labyrinth draagt, zelfs geschreven op de ouderwetse manier, dus met een -th op het eind. 

Een labyrinth is een soort doolhof, maar toch anders dan een doolhof. Je kunt in een labyrinth ‘naar binnen gezogen’ worden, zelfs erin verdwalen. Maar als je je goed voorbereidt kom je er toch weer heelhuids uit naar buiten. 
Het zou mooi zijn als je bij het lezen van deze columns ook dat gevoel krijgt, van ‘ik wordt erdoor opgezogen’ en ‘met enig voorbereidend nadenken’ kom ik er ook weer uit.

Het woord labyrint is al een heel oud woord. Het is een Grieks woord. En dan niet zomaar een woord uit het oud-Grieks, maar zelfs uit het hele oude Grieks. Het is ontstaan ergens rond 1400 v. Chr., in een tijd toen zelfs het gebruikelijke Griekse schrift nog niet bestond. Het centrum van de Griekse cultuur lag in die tijd op het grote eiland Kreta. Men had daar al een tamelijk primitief ‘voor-Grieks’ schrift. En daarin komt het woord labyrinth voor.
Daarmee werd bedoeld een zeer uitgebreide ruimte onder het paleis van de koning, die bestond uit allerlei kamers, kamertjes, gangen en nissen. In de stad Knossos, op Kreta, zijn de fundamenten van dat paleis teruggevonden. En juist die doolhofachtige onderste verdieping is erg goed zichtbaar.

Er is een verhaal dat wil uitleggen waarom dat labyrinth gebouwd zou zijn.
Toen de grote Minos koning was in Knossos, kreeg zijn vrouw een uiterst merkwaardig kind. Het zag er uit als een mens, maar dan met een stierenkop. De geruchten gingen dat zijn vrouw een ‘intiem gesprek’ had gehad met de oppergod Zeus. En de stier is het heilige dier van Zeus. Vandaar dat merkwaardig kind. Ze noemden het Minotauros (= de stier van Minos).
Koning Minos wilde eigenlijk wel van dat kind af, zeker toen het groter was geworden. Hij kon zich toch niet vertonen met een wezen dat half mens - half stier was! Maar de Minotauros doden of ergens in opsluiten was geen optie: het was immers een nakomeling van Zeus.
Toevallig was in die tijd een Athener in Knossos gearriveerd, een soort asielzoeker. Hij was nl, verjaagd uit zijn geboortestad. Zijn naam was Daidalos. Hij was uitvinder en architect. Koning Minos besloot hem toe te staan op Kreta te blijven, als hij een oplossing vond voor het probleem van die akelige Minotauros.
Daidalos ontwierp toen een nieuw koninklijk paleis. Met een soort kelder van allerlei gangen, kamertjes, nissen en gangetjes. Die kelder had maar één ingang. En de naam ervan werd: labyrinth.
Dit labyrinth was de ‘privé-vleugel’ van het paleis waarin de Minotauros kon wonen. Toen de bouw klaar was, ging het monster door de deur naar binnen; verdwaalde in de gangen en heeft het de uitgang nooit meer kunnen vinden.
Een paar jaar later kwam Theseus, zoon van de koning van Athene in Knossos. Het was niet echt een staatsbezoek dat hij bij koning Minos aflegde: hij was een van de 14 jonge Atheners die door het lot aangewezen waren om tot voedsel te dienen voor de Minotauros. 
Toen Theseus met zijn 13 lotgenoten binnengeleid werden in het paleis, zag Ariadne, de dochter van Minos, die mooie koningszoon uit Athene en werd onmiddellijk verliefd op hem. Hoe kon zij hem dan redden uit de klauwen van die vraatzuchtige Minotauros?
Ariadne was slim. Ze breide graag: dat werd de oplossing. Uit haar voorraad van breiwol haalde ze de dikste bol die ze had. Deze gaf ze mee aan Theseus, samen met de schaar uit haar breimandje. Toen Theseus het labyrinth ingestuurd werd, maakte hij de wollen draad vast aan de deurklink van de ingang. Terwijl hij de bol wol afrolde, drong hij door in de vele gangen. Hij vond de Minotauros, 
terug